Dekenzwaarte

een verhaal van Amber Frateur


Je houdt je muisstil. Ze beweegt haar wijsvinger traag over je bovenlip. Haar ogen zijn gefixeerd op de weg die de aanraking aflegt. De ontmoeting tussen haar ruwe vingertop en jouw gevoelige huid doet je lichaam rillen. Je voelt het bloed naar de oppervlakte vloeien. De onderhuidse beweging van warmte wordt bijna pijnlijk. Alsof ze een knop bij je heeft ingedrukt. Dat ze je lippen zou kiezen, had je niet verwacht. Je verstand zakt samen met je lichaam in de matras. Je ligt op je zij. Jullie knieën raken elkaar. Een ongekende angst maakt zich van je meester. Je sluit de ogen. Haar vinger glijdt verder naar jouw onderlip. Haar gezicht is vlakbij. Ze zou op dit moment haar lippen op die van jou kunnen drukken. Eindelijk... Ze doet het niet. Ze ademt in je gezicht. Je ruikt de slaap waaruit ze net ontwaakte. De lucht is een beetje brak, maar tegelijk zoet en eerlijk. Haar lippen bewegen bijna tegen de jouwe wanneer ze zegt: “Je lippen lijken een hart, maar dan plat. Ze zijn de liefde.”

“Mm.” Je kreunt.

“Hoe zien míjn lippen eruit?” Haar vinger stopt. Je draait prompt je gezicht weg van het hare. Je gaat op je rug liggen en probeert het beeld van het plafond in je op te nemen. Door het muggennet heen zie je stofjes in het ochtendlicht door de kamer dansen. Haar hoofd richt zich op. Een speelse lach verschijnt rond haar mondhoeken terwijl ze wacht. Haar vraag hangt uitdagend in de ruimte. Het had niet veel gescheeld of je had haar mond gezoend. Dat zou het enige passende antwoord zijn. Je herinnert jezelf eraan dat ze de grenzen tussen jullie eerder heeft bepaald. Uit zelfrespect probeer je je eraan te houden. Je biedt de opkroppende prop in je borstkas een uitweg met een lange zucht.

“Dat ga ik je niet vertellen.”

“Waarom niet?”

Ze duwt haar lichaam op van de matras en klimt over je heen. Steunend op haar knieën en handen, zweeft ze boven jou. “Kom op, vertel. Hoe zien ze eruit?”

Je antwoordt niet. Ze blijft je nog heel even lachend aankijken. Dan blaast ze opnieuw in je gezicht. Haar geduld is op. “Goed dan. Ik heb zin om op te staan.”


Je voelt dat ze aanstalten maakt om van je weg te gaan. Net nu. Dichter is ze nooit gekomen en je denkt dat dat niet meer zal gebeuren. Je hart bonst trommels in je borstkas. Om haar bij je te houden sla je je armen om haar heen en probeer je haar naar beneden te trekken, zodat haar borsten de jouwe raken. Je wil niet dat ze dit moment zo gevoelloos doorbreekt. Haar handen zijn stevig in de matras geplant, haar armspieren opgespannen. Ze houdt haar lichaam stijf rechtop in table top position. Ze is sterker dan je had gedacht.

“Toe, ga niet weg,” smeek je.

“Laat me Erica helpen met het ontbijt.”

Het vuur in haar ogen is werkelijk verminderd, maar nog niet volledig weg. Je sluit je armen strakker rond haar lichaam en trekt jezelf omhoog. Je lippen raken de hare. Je tong strijkt in een snelle beweging tussen hen in. Ze trekt haar hoofd weg. Je gaat terug liggen.

“Stop ermee,” zegt ze, “ik heb je niet geleerd om te bedriegen. God kijkt naar ons. En bovendien, als Erica ons hier zou vinden zou ze ons vermoorden. Je bent een vrouw, weet je wel.”


De angst van eerder mengt zich met de ritmes van het bloed dat te snel door je aderen raast. Het maakt je misselijk. Je weet dat vernedering je te wachten staat. Ze rolt van je af en blijft op de rand van het bed liggen in je armen. Haar billen zijn naar jou gekeerd. Je hoort het kloppen van haar hart wanneer je je oor tegen haar rug drukt. Je kust de huid van haar onbedekte schouderblad. Net zoals zij dat deed bij jou, al die keren wanneer ze dacht dat je sliep.

“Probeer je me zwak te maken met die kussen?” vraagt ze. Haar stem klinkt plotseling fragiel.

De greep van haar handen om je polsen verslapt. Je lippen raken haar nek. Haar ademhaling versnelt. Haar spieren worden week en laten haar ledematen toe zich in je omarming te schikken. Je lippen wandelen van haar hals naar haar oor. Je tilt je hoofd op, zoent zacht haar wang, haar kaaklijn, verder langs haar neus en kust haar lippen. Daar duwt ze je van zich af.

“Genoeg! Dit leidt nergens toe! We moeten stoppen. Je weet dat God het niet zou goedkeuren.”

Ze staat op van het bed, slaat een doek om en wandelt de kamer uit.


Je keert je verslagen op je rug en wacht tot je hartslag kalmer wordt. Je wil haar ideeën en angsten over dit soort zonden niet overnemen. Toch daalt een deken van schuld en verwarring neer op je huid. De stof sijpelt via je poriën naar binnen. Je denkt dat je stikt.

Voor je opstaat om de schaamte van je af te wassen, vraag je God om jullie waanzin weg te nemen.