Until the sun is long since gone and all of the lights go out

A text by Zindzi Tillot Owusu


(1)

Misschien was er in het begin —in den beginne, zoals men dat vroeger zei — wel veel meer dan nu. Misschien was er toen alles en is er nu niets meer. En zijn wij zoals sommige sterren die in onze ogen schitteren, terwijl ze eigenlijk jaren geleden uitdoofden. Alles wat wij nu denken te zien was dan ooit een singulariteit. Gebruik ik dat woord juist? (Dat doet er niet toe.)


Het universum was dus één grote allesbrei. En ik (en “ik” is wij allemaal op dit moment) kon voelen wat we allemaal voelden. Ik wist toen nog hoe het was om een stoel te zijn en ook al hoe het zou voelen wanneer ik later terug op mezelf kwam zitten. Ik genoot van de strelingen van mijn hand toen ik aan tafel zat te schrijven, voelde me benauwd zoals de pen waar mijn vingers zich rond klemden. En in dit alles was ik heel dicht bij jou, bij jullie, of nee, bij ons dus eigenlijk. Bij Ik. Jullie zijn de deeltjes sterrenstof die nét iets de andere kant op vlogen. Niet ver genoeg om bijvoorbeeld een kleinere ster of een deel ervan te worden, maar wel ver genoeg om


niet meer mij te zijn. En jullie werden cellen, ergens, die zich splitsten en verder splitsten, ergens. En nadat de aarde klaar was met zuurstof-ledig zijn en de lucht


blauw was geworden en de dino’s dood waren gegaan (met die meteoriet enzo), werden we zoogdieren. Die mensen zouden worden. Of eerst apen misschien eerder. Maar daarvoor nog. Wat waren we dan? Waren we niets, wachtend om geboren te worden? Of waren we deeltjes die stonden te popelen om elkaar weer te vinden? Weten jullie nog hoe het afloopt? Ik ben het helemaal vergeten. Komen we terug bij elkaar?


In elk geval voelt het alsof ik al lang op jullie wacht.


(2)


We zijn beginnen bouwen. Er gingen jaren voorbij in elk geval. Hoeveel weet ik niet meer. En weinig dingen bleven hetzelfde, tegelijk was alles nog uit dezelfde materie samengesteld. Dan kwam er dat zelfbewustzijn. Ik weet nog goed hoe dat voelde. Ik was vergeten dat doodgaan en ophouden met bestaan verschillende dingen zijn. Als glasscherf kon het me weinig schelen dat ik in en uit de ether vloeide in steeds verschillende vormen. Maar als mens was het zo angstig, zo benauwend, bedrukkend, verpletterend angstaanjagend om te bestaan. Dus we bouwden om ons heen, zodat we ons niet altijd bang moesten voelen. En vanaf dan moest alles heel de tijd vooruit. Soms gestaag en dan weer razendsnel. Van een huis naar een piramide naar een skyscraper naar een raket. Altijd maar verder naar boven toe. Er is daarboven iets waar we terug naartoe willen. Voel jij dat ook soms als je naar de sterren kijkt?


(3)


Er komt een tijd aan die nog niet is gebeurd. Misschien. Waarin alles weer Ik wordt. Ver na de tijd die ik als mens gespendeerd zal hebben. En daartussen zal ik een stoel, een beer of een virus zijn, wie weet. Maar dan komt de eindtijd. De begintijd, als je wil. Waarop alle sterrenstof terug in een primordiale soep samen zal smelten: de rotsen, de mensen, de dino’s enzovoort. Het onvermijdelijke terugkeren van alles. Je moet van die Heat Death en Big Chill niets geloven. Ik weet niet of we het nog willen, we zijn bang waarschijnlijk om alles weer te voelen. Ik wil het, desondanks. Ik verlang ernaar. Ik zou erom smeken als ik moest. Maar dat is nergens voor nodig. En er is geen haast. De kern van de aarde is nog warm.


We hebben nog wel even.